De gemeentelijke omgevingsvisie: vrouwen maken de stad (deel 2)

Een veelvoorkomend probleem bij besluitvorming is dat de hardste schreeuwers de meeste aandacht krijgen. Belangen en perspectieven van bewonersgroepen die minder zichtbaar of minder hoorbaar zijn kunnen worden vergeten. Bij de totstandkoming van een gemeentelijke omgevingsvisie kan dit een wezenlijk probleem zijn. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat bij het maken van (strategische) keuzes het gemeentebestuur bepaalde belangen vergeet of onvoldoende meeweegt. 

In Amsterdam is er bijzondere aandacht geweest om in het participatieproces de belangen en perspectieven van ‘vergeten’ groepen te betrekken. In de vorige blog is al aangegeven dat er spanning bestaat tussen participatie op papier en in de praktijk. In dit deel wordt bekeken hoe de inbreng van groepen in de praktijk opgehaald en verwerkt wordt in een gemeentelijke omgevingsvisie.

Het vrouwelijk perspectief

Een veel gehoorde opvatting in de literatuur is dat stedenbouw en de openbare ruimte niet genderneutraal zijn. Vrouwen gebruiken de publieke ruimte anders (en vaker) dan mannen; ze hebben andere behoeften.

De afgelopen jaren is er vaker aandacht gekomen voor het pleidooi voor een ‘genderspecifiek beleid’ bij de inrichting van steden en de openbare ruimte. De gedachte is dat mannen en vrouwen op verschillende wijze gebruik van steden en openbare ruimtes. Waar in een parkje overdag veel vrouwen en kinderen te vinden zijn, zijn er avonds voornamelijk veel groepjes jongens en mannen te vinden.

Het verschil in gebruik is terug te herleiden tot keuzes die zijn gemaakt. Vrouwen voelen zich vaker onveilig als het donker is, bewegen zich minder vaak door de stad heen en vermijden zoveel mogelijk slecht verlichtte plekken. Bij de inrichting van een stad wordt er nauwelijks tot geen rekening gehouden met de verschillen tussen mannen en vrouwen. Het gevolg is dat het mannelijk gebruik van de openbare ruimte de norm is. Volgens critici komt dit omdat stedenbouwkundigen en architecten (die steden ontwerpen) voornamelijk man zijn.

Het pleidooi dat er bij het maken van belangrijke strategische keuzes onvoldoende aandacht is voor de belangen van vrouwen is overtuigend. Een goed ingericht participatieproces kan bij uitstek deze als in de literatuur omschreven ‘blinde vlek’ dichten. Het instrument van de gemeentelijke omgevingsvisie leent zich daar in vergaande mate voor.

Amsterdamse omgevingsvisie

De gemeente Amsterdam heeft bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie 2050 aandacht gehad voor deze verschillen:

Hoe zou de stad eruit zien als deze door vrouwen ontworpen zou worden? Wat verandert er als je een vrouwelijke blik toepast op stedelijke ontwikkeling? Wethouder Marieke van Doorninck (Ruimtelijke Ordening & Duurzaamheid) wil over deze vragen in gesprek gaan met een divers netwerk van Amsterdamse vrouwen uit verschillende stadsdelen. De gesprekken vinden plaats in het kader van de Omgevingsvisie voor Amsterdam 2050, een nieuwe toekomstvisie voor de sociale en fysieke leefomgeving van Amsterdam.

Uitnodiging naar de gesprekken en lezing van de wethouder.

Na aanleiding van deze gesprekken is door wethouder Van Doornick (RO&D) de Vrouwenadviesraad opgesteld. Negen vrouwen die tijdens tweemaandelijkse bijeenkomsten het team van de Omgevingsvisie adviseren over de te maken keuzes. Het Parool besteedde een interessant achtergrondartikel aan deze adviesraad.

Invloed op de Omgevingsvisie 2050

Dat er met de vrouwen gesproken is komt zichtbaar terug in de vormgeving van de ontwerp-omgevingsvisie Amsterdam 2050. Foto’s die genomen zijn tijdens de gesprekken schitteren prominent. Op meerdere plekken wordt eveneens nadrukkelijk gesteld dat de bijdragen van de vrouwen waardevol is gebleken en verrijking van de visie heeft opgeleverd. Tijdens de eerste behandeling in de raadscommissie noemt de wethouder eveneens de inbreng van de vrouwen tijdens het participatieproces.

Dat roept al met al hoge verwachtingen op. Is er sprake van een kantelpunt binnen het ruimtelijk beleid? Heeft participeren effect? Voor het antwoord daarvoor wordt ook in de visie verwezen naar de (wettelijk verplichtte) verantwoording. In het verantwoordingshoofdstuk (pagina 246) wordt het volgende genoemd:

Een vrouwenadviesraad vanuit het speciaal hiervoor opgerichte netwerk WomenMakeTheCity adviseert ons en denkt mee. De adviesraad bestaat uit vrouwen van diverse achtergrond en uit verschillende stadsdelen. Zij organiseerden online werksessies waarbij zij met ruim 80 vrouwen uit verschillende stadsdelen spraken over de toekomst van de stad aan de hand van de Just City Index, een ontwerpmethode die de waarden van de gebruikers van de stad vooropstelt.

In de omgevingsvisie komt het gebruik en het belang van de ‘Just City Index’ helaas niet verder meer aan de orde. Een toelichting ontbreekt eveneens. De concrete opbrengsten die alle participatieve inspanningen hebben opgeleverd worden wel genoemd:

Met de open en organische aanpak zijn er steeds nieuwe mensen, organisaties en netwerken in beeld gekomen waar we met een beperkter en strakker proces geen oog voor zouden hebben gehad. Op deze manier hebben we lokale kennis kunnen benutten. Dat is de grote meerwaarde van de samenwerking met onze allianties als de Club2050 en de vrouwenadviesraad. De tijdsinvestering in het opbouwen van een band met verschillende stadmakers, doelgroepen en netwerken in de stad heeft geleid tot veel energie in het proces. Die is omgezet in een betere samenwerking met de stad, meer kennis van wat er speelt en meedenkkracht in het zoeken naar oplossingen. Al met al vertaalt dat zich in een breder gedragen visie.

 

De opbrengst van de participatie kan samengevat worden als:

    1. Er zijn nieuwe mensen, organisaties en netwerken in beeld gekomen
    2. Er is lokale kennis opgedaan en benut
    3. Er is veel energie in het proces gekomen
    4. Er is meedenkkracht gekomen in het zoeken naar oplossingen
    5. Er is een breder gedragen visie opgesteld

Dat stemt helaas minder hoopvol. De hamvraag blijft natuurlijk hoe deze  ‘energie’ zich concreet heeft vertaald in strategische keuzes voor de toekomst waarbij aantoonbaar rekening is gehouden met de behoeften van vrouwen en die als uitgangspunt zullen dienen voor toekomstig ruimtelijk beleid.

Inzichten

Het is om die reden jammer dat er besloten is de opbrengst en inbreng te verwoorden en te verantwoorden in vrij algemene bewoordingen en weinig concrete resultaten. Het had voor de hand gelegen om binnen de afzonderlijke hoofdstukken de meerwaarde van het vrouwelijk perspectief te benoemen gezien de belangrijke rol die dit zou hebben. Voor zowel raadsleden, bewoners als ruimtelijke professionals was het dan duidelijk geweest wat er in de toekomst anders moet of gaat.

De conclusie dat “al met al vertaalt dat zich in een breder gedragen visie” roept enkele interessante vragen op. Over het (vermeende) draagvlak van de gemeentelijke omgevingsvisie wordt namelijk niets door de opstellers gezegd. Uitgebreid investeren in participatieprocessen kan tot groter draagvlak leiden onder de bewoners. Dit inzichtelijk maken is een behoorlijke opgave en is in zoverre bekend niet gebeurd. Mogelijk heeft Gemeente Amsterdam de conclusie getrokken dat er groter draagvlak is ontstaan voor de visie doordat er is geparticipeerd.

Dat roept weer de fundamentele vlak op of draagvlak vergroten het uitgangspunt is van participatie of dat het aantoonbaar meenemen en meewegen van belangen van (vergeten) bewonersgroepen dat zou moeten zijn. Het is jammer dat op grond van de Omgevingsvisie 2050 het niet duidelijk zichtbaar is geworden welke invloed het participatieproces heeft gehad op beide aspecten.

Als strategische keuze is wel benoemd dat Gemeente Amsterdam zich gaat inzetten voor ‘samen Stadmaken’. Als concreet agendapunt wordt daarbij het ‘voortzetten WMTC-vrouwenadviesraad’ genoemd. Er wordt toegezegd dat de Vrouwenadviesraad betrokken wordt bij de uitvoering en de evaluatie van de gemeentelijke omgevingsvisie. Aangezien de lezer van de visie niet precies kan achterhalen wat de eerdere bijdrages zijn geweest, blijft het ook gissen wat de waarde is van de voortzetting van deze samenwerking. Daarnaast gaat de gemeente verkennen binnen welke projecten en programma’s nog meer op deze manier het vrouwelijke perspectief een plek gegeven kan worden.

Conclusie

De gemeentelijke omgevingsvisie van Amsterdam biedt een leerzaam inkijkje in de potentie en valkuilen die participatie kan bieden bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Leerzaam is dat Gemeente Amsterdam terecht gezien heeft dat het betrekken van een ‘vergeten’ perspectief een waardevolle bijdrage kan opleveren.  Om die reden is het tegelijkertijd zonde dat het de gemeente niet gelukt is om in de ontwerpvisie helder en concreet te verwoorden welke verrijking dit perspectief heeft opgeleverd. De gemeente heeft gekozen voor algemene bewoordingen, wat de verdachtmaking oproept dat er niets concreets te melden is.

De nadrukkelijke toezegging de Vrouwenadviesraad blijvend te betrekken is weinig waard als het niet scherp te krijgen is welke veranderingen deze adviezen bewerkstelligen. Zijn de belangen van vrouwen nu in voldoende mate gewaarborgd? Uiteindelijk moet de gemeenteraad daar een oordeel over vellen, maar het is de vraag of zij over voldoende informatie beschikken om tot die conclusie te kunnen komen.

De opmerking over ‘draagvlak’ zonder kwalitatieve of kwantitatieve onderbouwing roept eveneens vragen op. Kan de Amsterdammer ervan uit gaan dat de gepresenteerde visie een groter draagvlak heeft dan visies die een ander totstandkomingsproces hebben gekend? In het volgende deel gaan wij in op de zienswijzen die na oplevering van de ontwerp-omgevingsvisie zijn ingestuurd en een ander beeld oproepen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *